In de nacht van 4 op 5 november 1675 woedde er bij Amsterdam een woeste storm, die het water van het IJ opjoeg. Dit opjagen van het water gebeurde regelmatig, omdat het IJ toen in verbinding stond met de Zuiderzee. Veel dijken braken door en een deel van Amsterdam kwam onder water te staan. Het stadsbestuur gaf opdracht de dijken te versterken. Maar de burgemeester van Amsterdam, Johannes Hudde, had grotere plannen. Hij wilde het water voortaan goed in de gaten houden. Dat kon alleen als bekend was hoe hoog het water kwam en hoe hoog de bouwwerken lagen ten opzichte van het waterpeil. Hudde liet in acht sluizen stenen plaatsen waarin een groef werd uitgehakt. Die groef gaf de hoogte weer ten opzichte van een gemiddeld hoogwater in het IJ. Deze hoogte kwam weer overeen met de zeespiegel. De acht peilstenen vormden sinds 1683 het Amsterdams Peil.
In de negentiende eeuw zijn over heel Nederland peilmerken geplaatst. Veel daarvan leken op de oude Amsterdamse peilstenen. Al die peilmerken gaven de hoogte aan ten opzichte van de Amsterdamse peilstenen. Daarvoor werden veel metingen gedaan, die waterpassingen worden genoemd. Omdat de grond verzakt, blijven de peilmerken niet op dezelfde hoogte. Oude metingen waren ook niet altijd precies genoeg. Dus moesten er regelmatig nieuwe metingen worden gedaan. Vanaf 1875 zijn er regelmatig zeer precieze waterpassingen uitgevoerd. Het Amsterdams Peil heet sinds 1891 Normaal Amsterdams Peil. Nog steeds zijn op veel plaatsen langs kaden en sluizen peilschalen te zien, waarop de hoogte in NAP is aangegeven.
Dankzij het NAP kunnen we beter berekenen hoe hoog de dijken moeten worden die het land beschermen. Voor binnenvaartschippers is het heel belangrijk de waterhoogten in de rivieren te kennen. Zo kunnen ze goed hun koers bepalen. De waterstanden worden dan ook aangegeven in hoogten boven NAP. Afwijkingen van de waterstanden worden elke dag door Rijkswaterstaat bekend gemaakt. Dankzij het NAP weten we ook precies hoe hoog of hoe laag iedereen woont. Maar liefst 60% van Nederland ligt beneden het NAP, dus onder de zeespiegel. Het laagste punt van ons land ligt op 6.76 meter beneden NAP, in Nieuwerkerk aan den IJssel.
In veel landen is de Nederlandse manier van hoogtemeten overgenomen. Zo koos de Nederlandse ingenieur Lindo in 1872 het gemiddelde waterpeil in de monding van de Ara bij Tokyo als nulpunt voor het Tokyo Peil. Dit peil is sinds 1891 de basis van alle Japanse hoogtemetingen. In 1879 werd het Amsterdams Peil in Berlijn overgenomen om daar als Normal Null door het leven te gaan: het nulpunt van alle Duitse hoogtemetingen. Sinds 1955 is het NAP in een groot deel van Europa het ijkmiddel om de nationale hoogtemetingen met elkaar te vergelijken. Zo is Huddes Amsterdams Peil uitgegroeid tot een succesvol exportproduct.
Afbeelding:
Peilschaal in sloot in polder
Foto: Ellen Kok/HH