Dat Zeeland goede bescherming tegen het water nodig had, bleek opnieuw in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953. Een zeer zware storm teisterde Nederland. Ongekend hoge golven beukten op de kust. In Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant braken honderden dijken door. Maar liefst1.836 mensen verdronken, 72.000 mensen raakten dakloos, de schade was enorm.
Al snel na de ramp kwam de regering met een Deltaplan. Zo’n overstroming mocht nooit weer gebeuren. Een aantal zeearmen in Zuid-Holland en Zeeland moest worden afgesloten met dammen. In de Hollandse IJssel bij Krimpen aan den IJssel kwam een stormvloedkering. Overal langs de kust en de rivieren moesten de dijken worden versterkt.
Om de geulen van de zeegaten af te sluiten, gebruikten de ingenieurs van Rijkswaterstaat aanvankelijk vooral caissons. Dat zijn enorme betonnen bakken, die men liet zinken. De caissons werden op maat gemaakt. Later zette men ook kabelbanen in, die stenen stortten in de geul. Zo werd laag voor laag een dam opgebouwd. Begin jaren zeventig waren de meeste zeearmen afgedamd.
Het moeilijkste onderdeel van het Deltaplan was de afdamming van de Oosterschelde, want dit was de breedste zeearm, met zeer sterke stromingen. Ook kwamen in de Oosterschelde zeer bijzondere planten en dieren voor. Na afdamming zouden veel soorten verdwijnen. Zo ook de oesters en mosselen, waar veel vissers hun brood mee verdienden. Na veel protesten werd een open dam ontworpen, een kering op 65 pijlers met daartussen schuiven. Die staan altijd open, tenzij er een zware storm woedt. Dan gaan ze dicht om bescherming te bieden tegen het hoogwater. Als de schuiven open staan, kan het getij grotendeels naar binnen, ten gunste van de planten en dieren.
Om de kering te maken, moesten allerlei nieuwe technieken worden bedacht. Een speciaal ontworpen vaartuig zette de enorme pijlers precies op hun plaats. De pijlers rusten onder meer op reusachtige matten, die met een ander uniek vaartuig werden afgerold. Dit schip was niet alleen een soort stoffeerder, maar ook een stofzuiger: het maakte de bodem vrij van zand en grind. In 1986 was de Oosterscheldekering klaar.
Nu zijn de Deltawerken een visitekaartje van Nederland. In 1997 werd een kroon op het werk gezet met de bouw van de Maeslantkering. Deze grootste drijvende kering ter wereld, met armen die tezamen bijna zo lang zijn als de Eiffeltoren, sluit de Nieuwe Waterweg af bij extreme waterstanden.
De Deltawateren zorgden echter ook voor nieuwe problemen. Ze raakten vervuild doordat er veel schadelijke stoffen in werden geloosd. Door openingen in enkele dammen te maken, probeert men het water weer schoon te krijgen. De Oosterscheldekering heeft als gevolg dat er minder zand wordt aangevoerd naar de zandplaten. Deze worden hierdoor kleiner en zo is er minder ruimte voor vogels die naar voedsel zoeken. De Deltawerken zijn klaar, maar het werk aan de delta is dat nooit.
Afbeelding:
Sluiting Oosterscheldekering bij noordwesterstorm
Foto: Kina/Rita van den Broek
Als je over de Oosterscheldekering loopt, ervaar je de kracht van de zee. Deze stormvloedkering ligt tussen Schouwen-Duiveland en Noord-Beveland.
Het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk geeft een beeld van wat er is gebeurd tijdens en na de Watersnoodramp van 1 februari 1953. Kijk voor meer informatie op www.watersnoodmuseum.nl
Jan Banen: Een winter om nooit te vergeten. Van Holkema & Warendorf
Jan Terlouw: Oosterschelde windkracht 10. Rotterdam: Lemniscaat, 1976
Ad Zuiderent: Na de watersnood. Schrijvers en dichters en de ramp van 1953. Querido, 2003.