Nederland heeft als vochtig land veel veengronden. Veen is een natte, sponsachtige grondsoort die bestaat uit vergane plantenresten. In een droge zuurstofrijke omgeving vergaan plantenresten snel. De kooldioxide (CO2) die in de planten zit opgesloten komt daarbij vrij. In een natte omgeving komt er geen zuurstof uit de lucht bij die plantenresten en ontstaat veen.
Door het ontwateren van de veengrond ten behoeve van de landbouw droogt het veen uit, het oxideert, een soort van verbranding, en het krijgt een kleiner volume. Het gevolg is dat de grond inklinkt en de bodem dus daalt. Het inklinken van de bodem is een belangrijke oorzaak van de nu nog steeds voortdurende bodemdaling in West-Nederland. Ook komt er zoals gezegd bij het oxideren van veengrond CO2 (kooldioxide) vrij. Dat vinden we tegenwoordig minstens even problematisch als bodemdaling.
Veen kan worden gestoken. Na drogen heet het turf en kan dan als brandstof worden gebruikt. In laag Nederland blijft na het steken water over. Er gaat dan dus land verloren. Om die reden werden al vroeg grenzen gesteld aan het afplaggen van veen. Dat gebeurde vanaf de veertiende eeuw in Rijnland en vanaf de vijftiende eeuw in Schieland.
Het veen in laag Nederland was rond 1500 al zover afgestoken, dat winnen via steken van het veen op het land niet meer veel opbracht. Men ging toen over op het baggeren van turf, het slagturven. Met deze techniek werd veen uit water opgebaggerd met een baggerbeugel. Dit is een lange stok met een baggernet, voorzien van een scherpe rand. Hiermee kon de veengrond tot op de klei worden losgesneden en vervolgens boven water worden gebracht. Het slagturven werd gedaan vanaf de wal of vanaf boten.
Het afplaggen en wegbaggeren van de veengrond in het lage veen liet waterplassen na, en daarmee verdween landbouwgrond. Daarnaast hadden de baggeraars de neiging te ver te baggeren, waardoor de tussenliggende stukken grond soms bedreigd werden. Door inwerking van weer en wind, en vooral stormen en watergeweld, werden hele stukken land weggeslagen. Op sommige plaatsen in Nederland waren er zoveel doorbraken dat er grote plassen ontstonden, zoals de Zuidplas in Zuid-Holland en het Haarlemmermeer in Noord-Holland. Sommige van deze meren en plassen werden door hun grootte een gevaar voor de veiligheid. Er werd niet voor niets gesproken van de ‘waterwolf’. Wat een arme slagturver allemaal niet op z’n geweten kan hebben…
Afbeelding:
Claes Jansz Visscher, 'Turfsteken', 1608, ets
Collectie: Rijksmuseum Amsterdam
Over de turfindustrie leer je alles in museum De Ronde Venen te Vinkeveen. Kijk op www.derondeveenen.nl voor meer informatie.
Bezoek het Veenpark Drenthe en ontdek alles over het thema veen. Meer weten of bezoeken? Kijk op: www.veenpark.nl
M.A.W. Gerding: Vier eeuwen turfwinning. De verveningen in Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel tussen 1550 en 1950. Hes, 1995
A.J.J. van ’t Riet: Meeten, boren en besien. Turfwinning in de buitenrijnse ambachten van het Hoogheemraadschap van Rijnland 1680-1800. Uitgeverij Verloren.
S. van der Hoek: Het bruine goud: kroniek van de turfgravers in Nederland. Amsterdam/Brussel Elsevier, 1984.