Op de Noordzee, de Zuiderzee en de Oostzee wordt al eeuwen op haring gevist. Dat moet in de dertiende eeuw begonnen zijn. De dichter Jacob van Maerlant noemde al in 1270 de haring een geschenk van God, die de magen van veel hongerigen vulde. Zeeuwen en later Hollanders voeren de zee op en kwamen dikwijls met rijke vangsten terug. De Hollandse steden groeiden snel en de magen van al die nieuwe inwoners moesten worden gevuld. Vlees was voor velen te duur, maar kleine vissen zoals haring, bot en schol waren betaalbaar en daarmee een welkome aanvulling op het eentonige menu van bonen, erwten, gort en roggebrood. In de zeventiende en achttiende eeuw aten velen gezouten haring zelfs bij het ontbijt. Gerookte haring (bokking) was ook een geliefd exportproduct.
Er was dus veel vraag naar vis. De vissers bleven aanvankelijk onder de kust, maar ze trokken steeds verder, tot aan IJsland, speurend naar de rijkste visgronden. Die verre tochten waren mogelijk doordat de vis onderweg al verwerkt werd. De haringen werden eerst gekaakt, dat wil zeggen dat de organen van de haring eruit werden gesneden. Vervolgens werden de haringen ingezouten en in tonnen verpakt. Vanaf de vijftiende eeuw groeiden de visvangsten omdat de vissers drijfnetten gingen gebruiken, waar soms miljoenen haringen in zwommen. Honderden Nederlandse vissersboten voeren toen op zee. Andere bedrijfstakken profiteerden ook van de bloeiende haringvisserij, zoals de scheepsbouw, de touwslagerij, de zeilmakerij, de houthandel en houtzagerij. Haring was gouden handel.
Maar de visserij was ook gevaarlijk en ongezond. De vissers zaten opeengepakt in een muffe ruimte, het eten was eentonig, het drinkwater na een lange tocht nauwelijks nog vloeibaar. Er vonden regelmatig ongelukken plaats en door stormen vergingen talloze schepen. De vissersvrouwen zullen vaak hebben gebeden voor de terugkeer van hun mannen. Ze hielpen ook mee door de netten en vislijnen te repareren en hadden een belangrijke rol als visverkoopsters.
In de loop van de zeventiende eeuw ging het achteruit met de haringvisserij. Door toenemende concurrentie van onder meer Engeland en Noorwegen, door hoge personeelskosten, maar ook door kleinere visscholen voeren steeds minder schepen uit. Na 1850 herleefde de visserij. Veel beperkende regels werden afgeschaft. Er werden vissershavens gebouwd in IJmuiden en Scheveningen. De vissersvloot werd gemoderniseerd. De zeilschepen maakten plaats voor motorboten en de vis werd nu aan boord gekoeld. Na 1960 kwamen er enorme hektrawlers, die met indrukwekkende sleepnetten visten. De schepen leken op drijvende visverwerkende fabrieken. Steeds meer vis haalden ze boven. Zo veel, dat de Noordzee leeg raakte. De Europese Unie greep in en stelde voor veel vissoorten vangstbeperkingen in. Ook de haring wordt schaarser. Maar het feest rond de Hollandse Nieuwe die elk jaar trots wordt gepresenteerd, is onverminderd populair. De vlaggetjes blijven wapperen.
Afbeelding:
Haringdames bij nieuw geveilde haring, Scheveningen
Foto: Robin Utrecht/ANP
Vlaggetjesdag in Scheveningen staat in het teken van de komst van de Hollandse Nieuwe. Vlaggetjesdag wordt jaarlijks in juni georganiseerd. Meedoen? Kijk op www.vlaggetjesdag.com voor het programma.
Haring en wittebrood. Dat eten de Leidenaren jaarlijks op 3 oktober tijdens de viering van Leidens Ontzet. Meedoen? Kijk op www.3october.nl.
Wil je weten hoe vissersdorpjes er vroeger uitzagen? Bezoek dan het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Kijk voor meer informatie op www.zuiderzeemuseum.nl.
In Vlaardingen kom je meer te weten over de Nederlandse Noordzeevisserij en de Vlaardingse stadsgeschiedenis. Kijk op www.visserij-museum.nl voor meer informatie.
Louis de Jonge: De laatste haringvissers van Nederland. Balans, 2005.
Wouter Klootwijk en Adriaan de Boer: Haring en zijn maatjes. 2003
Fisherman, U., Donhauser, R. en Neubacher, H.: Hollandse nieuwe. Vijftig recepten met haring. Fontaine uitgevers B.V., 2003.