Ten zuidoosten van Utrecht ligt fort Vechten, een gigantisch verdedigingsbouwwerk dat werd gebouwd in de jaren 1867-1870. Binnen de grachten is het maar liefst zeventien hectaren (bijna dertig voetbalvelden) groot. In de 22 gebouwen die onder het gras verscholen liggen, zijn zestien miljoen bakstenen verwerkt. Het fort maakt deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, een uitgestrekte verdedigingslinie die loopt van de toenmalige Zuiderzee tot aan de Biesbosch en die bestaat uit een groot aantal sluizen, forten en andere kunstwerken, oftewel kunstmatige bouwwerken.
In 1815 gaf koning Willem I de opdracht deze linie aan te leggen. In 1870 was het enorme project klaar. Langs de hele linie kon het laaggelegen land zo’n dertig tot zestig centimeter onder water gezet worden. Het doel hiervan was de oprukkende vijanden tegen te houden. Dit onder water zetten wordt inundatie genoemd. Op strategische punten, vooral bij hoger gelegen wegen en nabij steden, lagen de forten. De laatste inundatie langs de Nieuwe Hollandse Waterlinie vond plaats aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Deze haalde echter weinig meer uit: de Duitse vliegtuigen lieten zich er niet door tegenhouden.
Eerder in de geschiedenis had het onder water zetten van land wel gewerkt als verdedigingsmiddel. In het Rampjaar 1672 lukte het om de Franse troepen van Lodewijk XIV op die manier te stoppen. Vanuit het zuidoosten en oosten vielen de Fransen Holland aan, Utrecht was al veroverd. Hals over kop werden ten westen van Utrecht, van de Zuiderzee tot aan de Merwede, dijken doorgestoken. Na 1672 kreeg de linie verder vorm en ook een naam: de Hollandse Waterlinie. Dat verklaart ook de naam van de latere linie van koning Willem I waar ook fort Vechten bij hoort: Nieuwe Hollandse Waterlinie. Die nieuwe linie beschermde ook de belangrijke stad Utrecht, de oude linie niet.
Het vernieuwende van de waterlinies was dat grote gebieden tegen aanvallers konden worden beschermd. Bij afzonderlijke steden was de verdedigingstechniek al eerder gebruikt. Het beroemdste voorbeeld in de Nederlandse geschiedenis is wel de Spaanse belegering en het ontzet (1574) van Leiden. De prins van Oranje liet enkele dijken doorsteken, waardoor het land rond Leiden onder water kwam te staan. De Spanjaarden konden niet verder oprukken en de Hollandse legers schoten de Leidenaren te hulp.
Water werd door de steden al langer gebruikt als verdedigingsmiddel. Denk aan de slotgrachten en aan de vele steden die al vroeg stadswallen hadden met daaromheen water. Dat water gaf niet altijd veiligheid, vooral niet als het lang vroor. De bewoners van de vesting of stad voelden zich dan vogelvrij en probeerden het ijs in stukken te hakken.
De waterlinies hebben grote invloed gehad op de stedelijke en landschappelijke ontwikkeling, met name rond de vele forten. Want rond die forten lagen de zogeheten ‘verboden kringen’, waar absoluut niet gebouwd mocht worden. Het leger moest immers een vrij schootsveld hebben als de nood aan de man kwam. De Kringenwet uit 1853 bepaalde onder meer dat binnen een straal van driehonderd meter alleen met hout gebouwd mocht worden en dan ook nog uitsluitend met toestemming van de Minister van Oorlog. Binnen een straal van duizend meter golden allerlei beperkingen en kon Defensie zonder vorm van proces of inspraak alles afbreken als de veiligheid dat nodig zou maken. De wet werd pas in 1951 buiten werking gesteld; tot die tijd kon bijvoorbeeld Utrecht absoluut niet oostwaarts uitbreiden. Fort Vechten is tegenwoordig niet meer zo ongenaakbaar als vroeger. Regelmatig gaan de poorten open en kan het publiek kennismaken met de bijzondere geschiedenis van het fort.
Afbeelding: Fort Vechten
Foto: Peter van Bolhuis/Pandion