Venster 13 : Panorama Mesdag

Water als inspiratiebron

1881

“Nergens toch ben ik mij ooit zo ervan bewust geworden, dat ik de volstrekte stilte nog nooit ergens had ontmoet.” Sprakeloos van bewondering was de dichter J.C. Bloem in 1954 bij het aanschouwen van het Panorama Mesdag in Den Haag. Hendrik Willem Mesdag was bezeten van de zee. Als schilder in Scheveningen bracht hij alles in beeld wat de zee maar kon oproepen. Dat ging zelfs zo ver dat hij een immens rondlopend panorama maakte, dat het strand- en zeeleven zo echt mogelijk moest weergeven. Aanleiding was zijn verontwaardiging over de plannen om het plaatselijke Seinpostduin af te graven. In vier maanden legde hij het uitzicht vast in 1.680 vierkante meter schilderwerk in de rondte, met een aanloop van echt duinzand vol netten, manden en ankers. De zee ligt er kalm bij, als een vruchtbare voortzetting van het land. En overal zijn sporen van bedrijvigheid: wij leven van de zee.

Panorama Mesdag<br>Foto: Panorama Mesdag Zo heeft het water telkens de Nederlandse verbeelding gestuurd. Vele schilderijen van Nederlandse grootmeesters laten zien hoe Nederland omging met het water, en het water met Nederland. Oorlog op zee, koopvaardij, de nieuwe werelden vanaf het water, maar ook storm, strandtaferelen, riviergezichten en niet te vergeten het ijsvermaak werden op het schildersdoek vereeuwigd en zijn gaan behoren tot de hoofdthema’s van de Nederlandse kunst. Ze vinden hun bekroning in het werk van vader en zoon Van de Velde, Jan van Goyen, Salomon van Ruysdael, Hendrik Avercamp en later nog Jakob Maris en Willem Witsen

Ook in de literatuur speelt water een grote rol. Heel wat teksten gaan over water. Het succesvolle Journael van Bontekoe uit 1646 verheerlijkt de heerschappij over de zeeën, gezien vanuit de koophandel. Het boek is tot in de moderne tijd herdrukt en heeft Johannes Fabricius aangezet tot het schrijven van een boek over Bontekoes scheepsjongens, overigens helemaal zelf bedacht. Het werd een bestseller.

Potgieters Holland uit 1832 treft met versregels als ‘Grauw is uw hemel en stormig uw strand’ de essentie van de Nederlandse landschapsbeleving. Daardoor kon zijn gedicht lange tijd fungeren als het Nederlandse volkslied. Nog bekender zijn de regels uit Marsmans Herinnering aan Holland (1936): ‘Denkend aan Holland / zie ik brede rivieren / traag door oneindig / laagland gaan’. Het gaat over heimwee en berusting die het landschap voor eeuwig lijkt te hebben ingegeven.

Maar telkens vragen ook de woedende verstoringen door het water om literaire verwerkingen. De ramp van 1953 wordt door Achterbergs gedicht Watersnood in de ziel gegrift, met regels als ‘Beelden van Zadkine stonden moeders daar / baby’s boven de springvloed uit te beuren’. Margriet de Moor herdenkt met De verdronkene uit 2005 diezelfde ramp in een aangrijpend verhaal. Hoewel iedereen ervan uitgaat dat het zo’n vaart niet zal lopen, eindigt een verplichte verjaardagsvisite in Zierikzee in een groot drama. ‘De vis wordt duur betaald’, laat Herman Heijermans uitroepen in zijn volksdrama Op Hoop van Zegen van 1900. Het is een gevleugelde uitdrukking geworden. Maar hier komt de bedreiging allereerst van de mens, in de persoon van de meedogenloze reder die voor de exploitatie van de zee desnoods mensenlevens op het spel zet. Ook de film blijft niet achter. Onsterfelijk zijn de beelden geworden uit Bert Haanstra’s Fanfare van 1958: koeien die door het weiland schuiven op niet waarneembare schuiten. Misschien is daarmee wel de ondeelbaarheid van land en water, die ook Mesdags Panorama beheerst, het sterkst verbeeld.


Afbeelding: Panorama Mesdag
Foto: Panorama Mesdag