Venster 24 : Borgharen loopt onder

Een geschiedenis vol overstromingen

1995

Het is 25 januari 1995. Driehonderd inwoners van het Zuid-Limburgse Maasdorp Borgharen moeten onmiddellijk hun huizen verlaten. Volgens Rijkswaterstaat zal het waterpeil van de Maas een recordhoogte bereiken. Ook uit andere Limburgse dorpen vertrekken honderden mensen. De achterblijvers slepen zandzakken aan en brengen hun parketvloer in veiligheid. Militairen bouwen nooddijken, in afwachting van het wassende water.

Hoogwater in de Maas bij Borgharen<br>Foto: Bart van Eijck Ook het waterpeil in de Rijn stijgt onrustbarend. In Nijmegen wordt een crisiscentrum ingericht. De autoriteiten evacueren uit voorzorg halsoverkop 200.000 mensen uit bedreigde polders in de Betuwe. Een lange colonne van auto’s trekt over de smalle dijkwegen. Op 1 februari staat de dijk bij het dorpje Ochten aan de Waal op doorbreken, maar hij houdt het net. Daarna zakt het water en kunnen de mensen terug naar huis. Delen van de IJsselstreek zijn inmiddels veranderd in een enorme watervlakte, waar hier en daar bomen boven uitsteken.

Overstromingsrampen zijn niet weg te denken uit de Nederlandse geschiedenis. Dat ligt niet alleen aan de lage ligging van ons land, maar ook aan menselijke ingrepen in het landschap en aan gebrekkig onderhoud. Door de ontginning ging de bodem dalen. Er werden wel steeds meer dijken aangelegd, maar met name in tijden van oorlog werden deze verwaarloosd. Het lage land werd veel kwetsbaarder voor stormvloeden. Die vraten land weg, vooral in de kustgebieden. Door verwoestende overstromingen veranderde Zeeland tussen 1100 en 1500 in een versnipperd geheel van eilanden, omsloten door zeearmen, zoals het Haringvliet en de Grevelingen. Deze breidden zich steeds verder uit. Ook Friezen en Hollanders zagen het water oprukken: het Almeremeer verbreedde zich na 1170 geleidelijk tot de Zuiderzee.

Sommige stormvloeden stonden in ieders geheugen gegrift. In de nacht van 18 op 19 november 1421 sloeg de tweede Sint-Elizabethsvloed toe. De Grote Waard in Zuid-Holland, een groot, door dijken omgeven gebied, verdween geheel in de golven. Het water drong diep door en de Biesbosch ontstond. De meest rampzalige stormvloed is vermoedelijk de Allerheiligenvloed uit 1570 geweest. De hele kust van Vlaanderen naar Groningen tot aan Noordwest-Duitsland werd overstroomd. Veel dijken aan de Hollandse en Zeeuwse kusten begaven het. De ontreddering was totaal. De hertog van Alva schreef aan koning Filips II dat maar liefst vijfzesde deel van Holland onder water stond. Het totale aantal doden moet boven de twintigduizend hebben gelegen, waarvan minstens drieduizend in Friesland en Groningen. Tienduizenden mensen werden dakloos, veestapels werden verzwolgen en voedselvoorraden vernietigd. Ook deze ramp liet diepe sporen in het landschap na: het Verdronken Land van Saeftinghe in Zeeuws-Vlaanderen.

Maar ook rivieroverstromingen eisten een zware tol. Tussen 1750 en 1860 overstroomden Maas, Waal en Lek zelfs met grote regelmaat. Het rivierstelsel was in de achttiende eeuw verstopt geraakt. Het water kon niet snel genoeg afstromen, er waren te weinig riviermondingen en in strenge winters zorgden enorme ijsdammen voor vaak fatale schade aan de dijken. In januari 1809 braken vele dijken aan Waal en Maas door; 275 doden waren te betreuren. De laatste grote rivieroverstroming, begin 1926, zorgde voor de hoogste waterstanden in de Rijn die ooit gemeten zijn. In januari 1995 hielden velen de adem in: zou het rampscenario van 1926 zich herhalen? Veel heeft het niet gescheeld.


Afbeelding: Hoogwater in de Maas bij Borgharen
Foto: Bart van Eijck