Aan het begin van de twintigste eeuw stonden de Amelanders er slecht voor. Met zeevaart en visserij viel geen droog brood meer te verdienen. De eilanders raakten meer en meer op de landbouw aangewezen. Maar de Markgenootschappen, die de gemeenschappelijke hooilanden (mieden) beheerden, waren rond 1900 opgeheven. De grond werd privé-eigendom en raakte in hoog tempo versnipperd. Rond 1915 waren er in de Ballumer Mieden, 190 hectaren groot, maar liefst 3.659 piepkleine perceeltjes. Daarbij was de waterhuishouding ook nog eens erg slecht: een groot deel van het land stond vanaf de herfst tot ver in het voorjaar onder water. Er was dus een korte maaitijd.
In 1916 werd de grond opnieuw verdeeld onder de boeren. In plaats van de 3.659 postzegeltjes kwamen er 219 nieuwe en veel grotere percelen. Er werden nieuwe sloten gegraven, zodat de waterafvoer verbeterde en het land jaarlijks langer droog was. Het project geldt als de eerste ruilverkaveling in Nederland. Al bij dit eerste project was de ‘verbetering van de waterbeheersing’ een belangrijk element. Landbouw en water zijn altijd nauw met elkaar verbonden. Het zag er beter uit voor de Amelander boeren. Ze kochten meer vee en hun inkomen ging omhoog.
Ruilverkaveling gebeurde daarna overal. Heel agrarisch Nederland is een, twee of zelfs wel drie keer op de schop geweest. Vooral in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw werd er volop ruilverkaveld. Er kwam in 1954 een nieuwe Ruilverkavelingwet die modernisering van de akkerbouw en veeteelt centraal stelde. De grote Nederlandse voorvechter van een Europees landbouwbeleid, Sicco Mansholt, had gezegd dat de Nederlandse boeren moderner moesten gaan werken en zich moesten gaan richten op de wereldmarkt. Anders zouden ze eeuwig afhankelijk blijven van subsidie van de overheid.
Bij ruilverkaveling ging het ook altijd om verbetering van de waterbeheersing. Via drainage moest het water snel en efficiënt door nieuwe sloten en weteringen worden afgevoerd. Bochtige waterlopen werden rechtgetrokken en polderpeilen verlaagd. Het Nederlandse boerenland is door de ruilverkavelingen ingrijpend van uiterlijk veranderd.
Vanaf de jaren zestig werd echter steeds duidelijker dat er niet alleen voor-, maar ook nadelen aan deze ontwikkeling verbonden waren. Snelle afvoer van water kan tot verdroging leiden en op andere plaatsen tot wateroverlast. Natuurbeschermers kwamen op voor natuurbehoud en natuurontwikkeling in ruilverkavelinggebieden. Het landschap werd ook steeds saaier: overal hetzelfde. In 1985 kwam er een nieuwe wet, waarmee het landschap beter beheerd kon worden, wat goed was voor zowel de landbouw als de natuur. Ook zorgde deze wet voor een beter behoud en beheer van natte en droge natuur bij ruilverkaveling.
Tegenwoordig wordt het platteland niet meer automatisch gelijkgesteld aan landbouwgebied. Natuurbeschermers en boeren, recreanten en woningzoekers maken allemaal aanspraak op stukjes platteland. Er wordt nu veel preciezer gekeken naar al die belangen dan in de toptijd van de ruilverkaveling.
Landbouw heeft overigens veel meer relaties met water dan alleen afwatering, sloten en polderpeil. De landbouw is nog steeds een grote waterverbruiker, vooral door het sproeien. De behoefte wisselt nogal sterk en kan in droge jaren wel twee keer zo hoog zijn als in natte jaren. Landbouw is ook een watervervuiler: denk aan de mest, maar ook aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Maar landbouw is ook de belangrijkste hoeder van Nederland Waterland. Kijk maar naar Ameland. Zonder gezonde landbouw zouden steeds meer gebieden ten prooi vallen aan verrommeling en verstedelijking.
Afbeelding: Ballumer Mieden
Foto: Maartje van den Heuvel