De eerste bewoners van wat we tegenwoordig ‘laag Nederland’ noemen, het deel van Nederland dat beneden +1 meter N.A.P. ligt en dat bij elke vloed zou overstromen als er geen dammen, dijken en duinen zouden zijn, vestigden zich op relatief wat hogere plekken zoals de randen van de duinen of de zandige oeverwallen langs rivieren.
In het noorden maakten zij kunstmatige verhogingen in het landschap: in Friesland kennen we deze als terpen, in Groningen worden ze wierden genoemd. Vanaf ongeveer 1000 begonnen de bewoners van het noorden en westen van Nederland vanuit hun traditionele woonplekken de ‘wildernis’ in te trekken. Ze verlieten hun terpen of woonplaatsen langs rivieren om de hoger gelegen veenmoerassen geschikt te maken voor de landbouw. Sporen van deze ontwikkeling zijn nog duidelijk te zien rond Kamerik, ten noorden van Woerden. Wat toen in Kamerik gebeurde, vond overal in veengebieden in Noord- en West-Nederland plaats. Boeren trokken de veengebieden in om die voor landbouw geschikt te maken.
De sprong naar het veen kan verschillende oorzaken hebben gehad. De bevolking groeide. De aanvallen van de Vikingen waren voorbij. Er brak rond 1000 een relatief warmere periode aan. En de bisschop en graven zagen uitgifte van de wildernis als een bron van inkomsten.
Het veenmoeras lag destijds een tot twee meter boven zeeniveau. Het natuurlijke veen was doordrenkt met water en het ging er dus om het veengebied te ontwateren. Daartoe werden sloten gegraven, veel sloten, die haaks stonden op de hoogtelijnen om zo de afstroming te verzekeren. Men begon daarmee vanaf een ontginningsbasis: de oevers van een veenriviertje of een andere waterloop, of vanaf een rug van zand of klei in de ondergrond. Hoe het ook werd aangepakt, de boeren deden het altijd samen. In je eentje kreeg je het niet voor elkaar.
We kennen allemaal de patronen in het landschap die het resultaat zijn van de veenontginningen: de vele parallelle sloten (bij een rechte ontginningsbasis), de waaiervormige verkavelingen (bij een rond lopende ontginningsbasis of rond de bron van een veenriviertje), de lintbebouwing van boerderijen langs de ontginningsbasis. Rond Kamerik zijn zulke patronen prachtig te zien.
Kamerik maakte deel uit van het uitgestrekte veenmoeras dat eigendom was van de bisschop van Utrecht. De typerende veenontginning in dit gebied en in het aangrenzende gebied van de graven van Holland was de cope-ontginning. De ‘cope’ was het contract dat de rechten en de plichten van de boeren vastlegde. De landeigenaren gaven stukken veengebied met vaste maten uit, nauwkeurig door landmeters afgemeten. De meest voorkomende maat was een perceel van ongeveer 1.250 meter lang en 113 meter breed (ongeveer 14 hectaren). Als de ontwatering was geregeld, werd de begroeiing op het veen verbrand en na enige tijd kon het land dan als weiland of akkergrond worden gebruikt. Het woord ‘cope’ is te herkennen in veel plaatsnamen in het veen. Denk aan Nieuwkoop, Papekop, Boskoop of Boeicop. De naam van Kamerik heeft een andere oorsprong: de plaats werd genoemd naar de Noord-Franse bisschopsstad Kamerijk (Cambrai).
Veen heeft de nare eigenschap dat het inklinkt, dat wil zeggen: compacter wordt, als
er water aan wordt onttrokken. De ontgonnen veengebieden kwamen in de loop van
de eeuwen onder de zeespiegel te liggen in plaats van erboven. Het werd daarom
steeds lastiger om overtollig water uit het veengebied weg te krijgen. Vanaf de vijftiende eeuw werden hiertoe molens ingezet. De bekende negentien molens van Kinderdijk, in de Alblasserwaard, hebben daar bijvoorbeeld heel wat water weggemalen. Ook hier begon men aan het begin van de Middeleeuwen het veen te ontginnen, ook hier kwam het land steeds lager te liggen, ook hier waren vele molens nodig om de polder droog te houden.
Afbeelding: Kamerikse Wetering
Foto: Aerophoto Schiphol